Het Amerikaanse ministerie van Justitie noemt het trainen van AI-modellen op auteursrechtelijk beschermde teksten fair use, in een stuk dat het dinsdag indiende in de zaak van The New York Times tegen OpenAI.
Dat standpunt bindt geen Nederlandse rechter en verandert niets aan wat je hier mag. Het verandert wel het krachtenveld rond de modellen waarop je werkt. De Amerikaanse overheid schaart zich achter de partij die vrijwel alle grote auteursrechtclaims tegen zich heeft, terwijl datzelfde model op de Europese markt langs een andere lat gaat. Het Europese recht kent geen fair use, alleen een uitzondering voor tekst- en datamining waartegen rechthebbenden zich kunnen verzetten. Wie hier met generatieve AI content maakt, werkt dus met een leverancier van wie de trainingsbasis in twee rechtsordes tegelijk wordt beoordeeld, met uitkomsten die uiteen kunnen lopen.
Wat er precies op tafel ligt
Het document is een statement of interest van de Verenigde Staten, negentien pagina's, ingediend op 1 september bij de federale rechtbank voor het zuidelijke district van New York. Dat is geen amicusbrief van een buitenstaander. De regering beroept zich op 28 U.S.C. § 517, dat het ministerie van Justitie toestaat de belangen van de VS in een lopende zaak te behartigen zonder daarvoor toestemming van de rechter te vragen. Het stuk staat op naam van Associate Attorney General Stanley E. Woodward Jr. en Brett Shumate, hoofd van de civiele afdeling, en is ondertekend door senior counsel Michael Weisbuch.
Het docket vermeldt de brief aan rechter Sidney H. Stein op 1 september, in de gebundelde procedure 25-md-3143 waarin alle auteursrechtzaken tegen OpenAI samenkomen. Boven de tekst staat "All Matters": de argumentatie is op de Times gericht, maar geldt volgens het stuk zelf net zo goed voor de boekauteurs en uitgevers in dezelfde bundel. Het Witte Huis, de Times en OpenAI reageerden niet direct op vragen, meldde persbureau Reuters dinsdag.

De kern past in één zin uit het stuk: de Verenigde Staten hebben er een groot belang bij dat de rechtbank elk argument verwerpt dat het trainen van taalmodellen op beschermde teksten in strijd is met het auteursrecht. Die training is in buitengewone mate transformatief, schrijft de regering, en zij zet er drie belangen naast: wetenschappelijke vooruitgang, nationale veiligheid en de positie tegenover landen die het Amerikaanse intellectuele eigendom minder consequent respecteren.
Training is niet de output
Het scherpste deel van het stuk is wat er niet in staat. De regering verdedigt uitsluitend de trainingsfase, het kopiëren van werken om een model patronen te laten leren, en laat de outputfase nadrukkelijk open. Een model dat een beschermd werk reconstrueert en verspreidt kan aan die kant wel degelijk een probleem hebben, staat er, en dat moet per geval worden beoordeeld. Ook de remedie moet smal blijven: een handvol afwijkende reconstructies rechtvaardigt geen aansprakelijkheid voor de output in het algemeen, laat staan voor de training.
Dat onderscheid valt precies samen met de breuklijn in de nieuwste zaken. wikiHow bouwde zijn dagvaarding tegen OpenAI van 21 augustus juist op de stelling dat het live ophalen van artikelen bij elk onderbouwd antwoord een zelfstandige kopie oplevert, los van de training. Daarover zegt de Amerikaanse regering niets. Voor een bedrijf dat zelf een assistent op externe bronnen laat zoeken, is dat nou juist de fase waarin het risico ontstaat.
Een aanval op de Meta-uitspraak en op het Copyright Office
De regering neemt ook stelling tegen twee Amerikaanse gezagsbronnen die de andere kant op wijzen. De uitspraak in Kadrey tegen Meta, waarin de rechter opperde dat AI-modellen de markt kunnen overspoelen met concurrerende werken en ontwikkelaars daarom in de regel voor trainingsmateriaal zullen moeten betalen, heet in het stuk "deeply flawed". Die redenering zou training en output tot één gebruik samenklappen en daarmee het meest basale element van inbreuk overslaan: de vraag of de werken substantieel op elkaar lijken.
Ter illustratie haalt de regering Joan Didion aan, die als tiener verhalen van Ernest Hemingway overtypte om te leren hoe zijn zinnen werkten. Volgens de logica van de Kadrey-rechter zou Didion aansprakelijk zijn geweest bij elke publicatie die daarna volgde.
In een voetnoot krijgt het Copyright Office dezelfde behandeling. Het rapport van mei 2025 over generatieve AI-training, dat een vergelijkbare theorie over marktverdunning onderschreef, wordt afgedaan als dunne redenering die geen gewicht verdient. De opsteller, de Register of Copyrights, procedeert intussen tegen haar eigen ontslag.
Het stuk voert ook een marktargument aan dat weinig met journalistiek te maken heeft. Wordt training licentieplichtig, dan kunnen alleen de grootste techbedrijven die rekening betalen en stroomt het geld vooral naar gevestigde media met het dikste tekstarchief. Het resultaat noemt de regering een oligopolie op modeltraining, met toetredingsdrempels die vooral als subsidie voor oude mediabedrijven werken.
Europa toetst hetzelfde model langs een andere lat
In Nederland loopt de vraag niet via fair use maar via artikel 15o van de Auteurswet, dat commerciële tekst- en datamining toestaat zolang de rechthebbende geen voorbehoud heeft gemaakt, bijvoorbeeld in robots.txt. Daar bovenop verplicht de AI-verordening aanbieders van algemene AI-modellen tot een beleid om aan het EU-auteursrecht te voldoen en voorbehouden met state-of-the-art technologie te herkennen en te respecteren, plus een publieke samenvatting van de gebruikte trainingsdata volgens een sjabloon van het AI Office. Die verplichtingen gelden sinds 2 augustus 2025 en bleven in de Digital Omnibus ongemoeid.
Het verschil is niet theoretisch. Het Landgericht München I vond de Europese datamining-uitzondering te smal voor verveelvoudigingen die blijvend in het model achterblijven, precies het gebruik dat de Amerikaanse regering nu buitengewoon transformatief noemt. Nederlandse uitgevers kozen ondertussen de contractuele route en bieden via Bookpact opt-in-licenties voor AI-gebruik van hun boeken aan.
De zaak schuift daarmee op van een geschil tussen een krant en een AI-bedrijf naar een test van Amerikaans industriebeleid. Het is dezelfde procedure waarin de Times Microsoft verweet een supercomputer op maat te hebben gebouwd om beschermd werk te kopiëren en waarin in het uiterste geval het wissen van getrainde modellen op tafel ligt. Met de regering aan de kant van de gedaagde is dat scenario politiek een stuk duurder geworden.
Voor Europese gebruikers blijft een leverancier over die aan twee kanten van de oceaan een ander verhaal moet vertellen: in Manhattan dat training vrij is, in Brussel dat elk voorbehoud is gerespecteerd en de trainingsdata publiek zijn samengevat. Zolang die twee verhalen niet samenvallen, verschuift de vraag voor wie hier AI-content publiceert van of het mag naar wie het risico draagt als het straks toch niet mocht. Dat antwoord staat niet in een Amerikaans vonnis, maar in de leveranciersvoorwaarden: wat er over vrijwaring is afgesproken, wat de aanbieder zegt over de herkomst van zijn trainingsdata en welke licenties daaronder liggen.
Veelgestelde vragen
AI op je eigen content
Wie niet afhankelijk wil zijn van andermans trainingsdata, bouwt AI op materiaal waarvan de herkomst vaststaat. Ik denk mee over die keuze, ontwerp de opzet en realiseer hem, self-hosted waar dat kan.
Dit artikel is geproduceerd samen met het Agent Team. Meer over de redactie.
