OpenAI publiceert op 30 oktober citaten uit steunbrieven voor fair use bij AI-training in de zaak van The New York Times; de rechter heeft nog geen uitspraak gedaan.
Voor Nederlandse organisaties staat de ruimte op het spel waarin leveranciers hun modellen op beschermd werk mogen trainen, plus de licenties en garanties die zij daarover in contracten bieden. Volgens de Amerikaanse fair-useleer kan bepaald gebruik van beschermd werk zonder voorafgaande toestemming toch rechtmatig zijn. Een uitspraak kan de Amerikaanse markt veranderen, maar OpenAI’s publicatie wijzigt geen Nederlandse of Europese regel en is zelf geen rechterlijk oordeel.

OpenAI zet gebruikers en makers naast elkaar
De pagina is OpenAI’s eigen uitleg van het auteursrechtgeschil. Het bedrijf selecteert fragmenten uit brieven van onder anderen academici, auteurs, belangenorganisaties en onafhankelijke makers. Hun terugkerende redenering is dat modeltraining een ander doel dient dan het oorspronkelijke boek of artikel en dat het model die werken niet als vervanging aan het publiek aanbiedt. Dat is de positie van de indieners, niet een vaststelling van de rechtbank.
OpenAI noemt een coalitie van vijf organisaties. Het gaat om de Consumer Technology Association, de American Council of the Blind, de American Library Association, de Association of Research Libraries en de Business Software Alliance. Hun brief stelt dat de zaak gevolgen kan hebben buiten modelbouw, onder meer voor software, onderwijs, bibliotheken, toegankelijkheid en medische toepassingen. De brief staat als document 2384-1 in het dossier. De vijf organisaties dienden hem op 30 oktober in ter ondersteuning van de verweren van OpenAI en Microsoft.
OpenAI haalt ook ervaringen aan van makers Sarah Rose Siskind en Michael Wall. Zij beschrijven hoe ze AI gebruiken voor werk rond hun creatieve praktijk, zoals administratie en bedrijfsvoering, zodat er meer tijd overblijft voor creatief werk. Dat zijn ervaringen van twee zelfstandige makers. De pagina bevat geen vergelijkend onderzoek naar kosten, productiviteit of het effect op de inkomsten van makers als groep.
De uitgeversbrief krijgt een tegenstem
Een dag eerder vroegen vier uitgevers- en rechtenorganisaties de rechter OpenAI’s fair-useverweer af te wijzen en waarschuwden ze voor vervangende AI-output en druk op de licentiemarkt. De brief komt van de Association of American Publishers, Copyright Clearance Center, Independent Book Publishers Association en International Association of Scientific, Technical & Medical Publishers. Hij staat als document 2304-1 in het dossier en is op 29 oktober ingediend. De vier organisaties stellen dat AI-uitvoer met boeken kan concurreren en ongelicentieerde training de markt voor betaalde AI-licenties schaadt.
OpenAI’s publicatie voegt een bredere kring van voorstanders toe aan het bestaande verweer. De brieven komen ook van makers en organisaties die software gebruiken of bouwen. De pagina laat belangen zien, maar geeft geen cijfers over het aantal bedrijven dat op zulke tools steunt of de economische waarde daarvan.
OpenAI neemt ook een ouder standpunt van de Amerikaanse overheid op: op 1 september stelde die in een processtuk dat AI-training op beschermd werk onder fair use kan vallen. Het is dus geen nieuwe brief van 30 oktober. De regering die AI-training al eerder fair use noemde sprak zich toen al uit.
Wikimedia trekt een grens tussen training en RAG
Op 29 oktober vroeg de Wikimedia Foundation toestemming om een voorgestelde amicusbrief in te dienen die geen van beide partijen steunt. In de bijgevoegde conceptbrief stelt de stichting dat kopiëren voor modeltraining waarschijnlijk fair use is, maar gebruik van beschermde werken in RAG waarschijnlijk niet. Dat sluit aan op de eerdere uitleg van Wikimedia’s zorg dat RAG bronwebsites kan belasten en vervangen. De rechtbank heeft het verzoek en de juridische argumenten nog niet beoordeeld.
Dat onderscheid raakt een andere plek in een bedrijfsproces. Training gebruikt data om een model op te bouwen; RAG haalt bij een vraag bronpassages op om een antwoord te maken. Een organisatie kan documenten in een kennisassistent zetten zonder het onderliggende model te trainen. Dan draait de auteursrechtvraag om opgehaalde bronnen, hun voorwaarden en de tekst die in het antwoord verschijnt.
De Amerikaanse inzet verandert de EU-regels niet
Voor een Nederlandse inkoper bepaalt deze procedure niet rechtstreeks wat een eigen organisatie met beschermde teksten mag doen. In de EU geldt een ander kader. De AI Act verplicht aanbieders van algemene AI-modellen onder meer een auteursrechtbeleid en een openbare samenvatting van trainingsinhoud. Ook kan de Europese tekst- en datamininguitzondering niet gelden als rechthebbenden hun rechten passend, bijvoorbeeld machineleesbaar, hebben voorbehouden. Dat volgt uit artikel 4 van de Europese auteursrechtrichtlijn.
De proceskalender laat zien dat de procedure doorloopt: rechter Sidney Stein stelde 30 oktober vast als deadline voor amicusbrieven en 20 november voor replieken. De order over de proceskalender kondigt geen uitspraakdatum aan. Uitgevers vragen bescherming van licentiemarkten; AI-gebruikers en makers benadrukken bredere toepassingen. Nederlandse organisaties moeten voorlopig letten op leveranciersvoorwaarden, informatie over trainingsdata en licenties voor bronnen die hun eigen AI-systeem ophaalt.
Veelgestelde vragen
Van AI-idee naar systeem
Ik help je een AI-vraag vertalen naar een werkend product, van meedenken en ontwerp tot bouwen en automatiseren, self-hosted waar dat kan.
Dit artikel is geproduceerd samen met het Agent Team. Meer over de redactie.
